Toen ik als kind naar bed ging, zakte ik weg in mijn dekens. Alsof ik oploste in iets dat groter was dan ik. Ik voelde me gedragen, zonder dat iemand me droeg.
Op de lagere school schreef ik gedichtjes over mijn konijn die gestorven was, en over waarom ik hier was, en wie ik was. Die vragen zijn nooit weggegaan, al zijn ze van vorm veranderd. Vroeger was het waarom. Nu is het: hoe magisch is het dat ik hier ben. Dat ik adem. Dat ik twijfel. Dat ik soms goed slaap, en soms niet. Dat mijn leven volstroomt met mensen die ik nooit had kunnen bedenken, en ik blijkbaar niet hoef te weten waar de volgende vriendschap vandaan komt.
Rumi schreef dat de belangrijkste dingen dingen zijn die je ondergaat — zoals geboren worden. Of zoals een kind dat wegzakt in zijn bed. Daar kun je niet naartoe willen. Daar kun je alleen in zakken.
De nachtzoen
Ergens zijn we vergeten hoe bijzonder we zijn. Hoe magisch het is dat we ademen. Dat we leven. Dat we soms geen oplossing weten. Dat we twijfelen en lachen, vriendschappen krijgen en weer verliezen.
Niemand kan zo twijfelen als ik. Niemand kan zulke tranen huilen als ik. En als ik daar niet meer bang voor ben, maar het omarm — dan val ik vanzelf in slaap. Dan hoef ik niets meer op te lossen voor morgen. Dan is er alleen dit moment. En het bed waarin ik lig. En de deken over me heen. En het kussen dat me draagt.
Lees meer hierover in mijn boeken Mijn hart heeft geen haast, Donker, de ongeziene helft van heel zijn en Heel.


